Nieuws
Nieuws uit Nederland en de wereld
Opiniestuk · Ouders, Binnenland
Pointer kritiek op de kritiek
Pointer noemde websites over genderzorg desinformatie. Maar welke cijfers en bronnen gebruikt Pointer zelf? Een opiniestuk over spijt, desistance, psychische klachten en het advies “neem een hobby”.
Door Chris Tervoort

Foto: Monstera Production via Pexels
“Neem een hobby.”
Klinkt natuurlijk behoorlijk onnozel als antwoord op iemand die worstelt met gender of met zijn lichaam. Bij Pointer werd zo’n website dan ook ongeveer neergezet als voorbeeld van hoe sommige websites met een soort genderchecklist komen waarbij het advies uiteindelijk neerkomt op: neem een hobby.
En eerlijk is eerlijk: als je het zo presenteert, klinkt het inderdaad nogal knullig.
Maar wacht eens even… is het advies zélf eigenlijk wel zo idioot?
We leven in een tijd waarin cosmetische klinieken ongeveer net zo normaal lijken te worden als de kapper. Jongeren krijgen botox en fillers, sociale media staan vol met perfecte lichamen en gezichten en plastische chirurgie wordt steeds meer een manier om een lichaam aan te passen aan het gewenste plaatje.
En als je vervolgens ongelukkig bent met jezelf, is de moderne reflex nogal snel:
Wat moet er aan mijn lichaam veranderd worden?
Misschien moeten we die vraag soms vervangen door:
Waarom ben ik eigenlijk zo ongelukkig met mezelf?
Lage zelfwaardering, onzekerheid, perfectionisme, sociale druk en voortdurend tobben over je uiterlijk verdwijnen namelijk niet automatisch doordat je iets aan je lichaam verandert.
Een borstoperatie maakt onzekerheid niet per definitie weg. Een perfect lichaam bestaat niet. En wie vandaag één probleem aan zichzelf heeft opgelost, kan morgen ontdekken dat er alweer een nieuw probleem op Instagram staat.
En dan komen we dus bij die belachelijk klinkende zin:
“Neem een hobby.”
Tja.
Misschien is dat helemaal niet zo’n slechte gedachte.
Niet omdat een hobby genderdysforie geneest. Dat beweer ik ook helemaal niet. En natuurlijk kun je ernstige psychische problemen niet wegwuiven met: “Ga maar lekker voetballen.”
Maar een mens bestaat uit meer dan zijn lichaam.
Ga sporten. Maak muziek. Ga dansen. Bouw een modeltrein. Leer gitaar spelen. Schilder. Ga vrijwilligerswerk doen. Ga vissen. Lees een boek. Begin een moestuin. Of, als alle andere opties mislukken, verzamel postzegels. Er zijn ergere dingen.
Het idee daarachter is simpel: ontwikkel ook een identiteit buiten je uiterlijk.
Want misschien is dat precies wat we tegenwoordig een beetje zijn vergeten. We vragen jongeren voortdurend hoe ze eruitzien, hoe ze zich voelen over hun lichaam, welke identiteit daarbij hoort en of hun lichaam wel overeenkomt met het beeld dat ze van zichzelf hebben.
Terwijl je vroeger ook gewoon kon denken:
Ik ben slecht in sport, maar ik kan geweldig tekenen.
Ik ben verlegen, maar ik schrijf fantastische verhalen.
Ik ben niet bijzonder knap, maar ik speel gitaar als een beest.
Ik weet nog helemaal niet wie ik ben, maar ik ben zestien, dus misschien is dat niet zo vreemd.
Dat laatste lijkt me eigenlijk een heel gezonde gedachte.
Dus ja, “neem een hobby” is natuurlijk een nogal komisch advies als je het presenteert alsof iemand daarmee even zijn genderprobleem moet oplossen.
Maar als onderdeel van een veel bredere gedachte — haal de obsessieve aandacht van het lichaam af, ontwikkel jezelf, zoek echte contacten en ontdek wie je bent zonder van ieder ongemak een medisch probleem te maken — is het ineens helemaal niet zo’n onnozele gedachte.
Sterker nog:
Misschien zouden we jongeren überhaupt wat vaker mogen zeggen dat ze niet onmiddellijk een definitief antwoord op de vraag “Wie ben ik?” hoeven te hebben.
Je mag ook gewoon vijftien zijn.
En een hobby hebben.
De kritiek van Pointer nader bekeken
Pointer voert verschillende kritiekpunten aan op websites die kritisch schrijven over genderzorg. Opvallend is dat Pointer daarbij zelf regelmatig cijfers en conclusies noemt zonder de volledige context te geven. Hieronder de belangrijkste punten op een rij.
1. “30% van de trans mensen krijgt spijt van de transitie”
Er wordt beweerd dat 30% van de trans mensen spijt krijgt van hun transitie.
Als Pointer van mening is dat dit percentage onjuist is, zou het goed zijn als Pointer vervolgens ook duidelijk maakt waarop zij het eigen cijfer of de eigen conclusie baseert.
Bij dit onderwerp wordt zeer vaak verwezen naar de meta-analyse van Bustos et al. (2021). Dit is een systematische review van 27 studies naar spijt na genderbevestigende chirurgie (GAS), met in totaal 7.928 patiënten.
De belangrijkste uitkomsten waren:
- 27 studies werden geïncludeerd, niet 72.
- In totaal ging het om 7.928 patiënten.
- Het gepoolde percentage gerapporteerde spijt was ongeveer 1% (95% BI <1%–2%).
- Bij transmasculiene procedures lag het onder 1%.
- Bij transfeminiene procedures lag het rond 1%.
- Er werden 77 patiënten met spijt gevonden.
- De auteurs classificeren daarvan 28 gevallen als minor en 34 als major volgens de Pfäfflin-classificatie.
- De auteurs spreken zelf over een “extreem lage prevalentie”.
Maar daarmee is de discussie niet afgelopen.
De auteurs wijzen namelijk zelf op belangrijke methodologische beperkingen, waaronder:
- de zeer subjectieve manier waarop “spijt” wordt vastgesteld;
- het ontbreken van gestandaardiseerde vragenlijsten;
- verschillen tussen de onderzochte studies;
- beperkte of onvolledige follow-up.
Ook de definitie van “spijt” verdient aandacht. In veel onderzoeken wordt spijt relatief smal gedefinieerd. Bijvoorbeeld als iemand terugkomt bij een kliniek voor het stoppen of omkeren van hormonen, een nieuwe juridische geslachtswijziging aanvraagt of expliciet een detransitietraject begint.
Mensen die stoppen met behandeling, elders zorg zoeken of wel spijt hebben maar geen formele detransitie melden, kunnen daardoor buiten beeld blijven.
Daarnaast speelt loss-to-follow-up een belangrijke rol. Veel studies hebben een korte of onvolledige follow-up, terwijl spijt ook jaren later kan optreden. In sommige gegevens wordt een mediaan van ongeveer 8 tot 11 jaar genoemd.
Ook kan er sprake zijn van selectiebias. Oudere studies betroffen vaak volwassenen met langdurige genderdysforie die een relatief strenge psychologische screening hadden doorlopen. De huidige populatie verschilt daarvan, onder andere door een groter aandeel adolescent-onset en meer comorbiditeit.
En daar komt een belangrijk punt bij.
In de 27 studies van Bustos et al. is de gemiddelde loss-to-follow-up ongeveer 30,9%.
Bij de grote Nederlandse studie van Wiepjes et al. (2018) was dit zelfs ongeveer 36%.
Dat betekent niet automatisch dat al deze mensen spijt hadden. Dat zou een onterechte conclusie zijn. Maar het betekent óók dat een laag geregistreerd percentage spijt niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan het werkelijke percentage mensen dat uiteindelijk spijt krijgt.
Als je vervolgens zou aannemen dat een deel van de mensen die uit beeld raken later spijt krijgt — of om andere redenen niet meer bij de oorspronkelijke kliniek terugkomt — kan het werkelijke percentage aanzienlijk hoger liggen.
Vanuit die redenering wordt het genoemde percentage van ongeveer 30% verklaarbaar.
De vraag is daarom niet alleen:
“Is 30% bewezen?”
Maar ook:
“Als Pointer stelt dat 30% onjuist is, welk percentage acht Pointer dan wél verantwoord en op welke gegevens baseert zij dat?”
2. “Bij 80% van de kinderen verdwijnt genderdysforie vanzelf”
Ook hier geeft Pointer kritiek zonder volgens deze kritiek voldoende context te geven.
Het wordt gepresenteerd alsof het percentage van 80% uit de lucht komt vallen. Dat is niet zo.
Er bestaat een omvangrijke onderzoeksliteratuur naar wat vaak wordt aangeduid als desistance: kinderen die in hun jeugd genderdysforie of genderincongruentie ervaren, maar bij wie die gevoelens later niet persisteren.
Daarbij is het belangrijk om onderscheid te maken tussen genderdysforie, genderincongruentie en de vraag wat precies als “desistance” wordt gedefinieerd.
Een benadering die hierbij aansluit is watchful waiting, oftewel een afwachtend of exploratief beleid. Daarbij wordt een kind psychologisch ondersteund, maar wordt niet automatisch overgegaan tot sociale of medische transitie. Men volgt de ontwikkeling en kijkt hoe de gevoelens zich ontwikkelen, vaak gedurende de puberteit.
Deze benadering speelde eerder een belangrijke rol in onder meer Nederlandse en Canadese klinieken en heeft opnieuw aandacht gekregen in recente buitenlandse richtlijnen en beoordelingen, waaronder de Cass Review in het Verenigd Koninkrijk en beoordelingen in Zweden en Finland.
Er zijn verschillende klassieke studies die hoge percentages desistance rapporteerden.
Steensma et al. (2011 en 2013) onderzochten Nederlandse kinderen die in de kindertijd waren verwezen. In deze onderzoeken lagen de percentages desistance rond 70–84%. De intensiteit van de genderdysforie in de kindertijd bleek een belangrijke voorspeller van latere persistentie. Sociale transitie in de kindertijd werd geassocieerd met een hogere mate van persistentie.
Singh, Bradley & Zucker (2021) onderzochten 139 jongens die in de kindertijd waren verwezen wegens Gender Identity Disorder. In deze studie desisteerde 87,8% en persisteerde 12,2%.
Ristori & Steensma (2016) brachten tien eerdere studies samen, met in totaal 246 kinderen. Zij rapporteerden gemiddeld ongeveer 84% desistance, waarbij de percentages per studie sterk verschilden.
Ook andere oudere studies, waaronder Green (1987), Drummond et al. (2008) en Wallien & Cohen-Kettenis (2008), rapporteerden relatief hoge percentages desistance.
Daarmee is het percentage van 80% dus niet zomaar een verzonnen getal.
Wel is het belangrijk om te erkennen dat deze onderzoeken methodologische beperkingen hebben en dat de huidige populatie verschilt van veel van de oudere onderzoeksgroepen.
Juist daarom is de vraag gerechtvaardigd waarom Pointer het getal van 80% presenteert als desinformatie, zonder duidelijk uit te leggen welke onderzoeken zij daarvoor gebruikt en waarom de eerder genoemde studies volgens haar niet relevant zouden zijn.
Ook de huidige context is belangrijk.
De Cass Review uit 2024 en beoordelingen in Zweden, Finland en Engeland wijzen op de beperkte kwaliteit van het bewijs voor medische interventies bij minderjarigen. Zij pleiten voor psychologische en exploratieve ondersteuning en terughoudendheid bij medische interventies, zeker bij de huidige groep adolescenten waarin onder meer adolescent-onset en comorbiditeit vaker voorkomen.
Er zijn relatief weinig moderne, hoogwaardige prospectieve studies die watchful waiting rechtstreeks vergelijken met affirmatieve medische zorg. Dat komt mede doordat de praktijk de afgelopen 10 à 15 jaar sterk is veranderd.
3. “Medische transitie vermindert suïcidale klachten niet”
Pointer stelt dat op sommige websites wordt beweerd dat medische transitie suïcidale klachten niet vermindert.
Daarbij wordt ook het percentage van 39% genoemd voor trans mensen die met suïcidale klachten zouden worstelen.
Pointer stelt vervolgens dat de aangehaalde bronnen deze beweringen niet ondersteunen en dat sommige genoemde cijfers niet in de aangehaalde studies zouden zijn terug te vinden.
Hier ontbreekt volgens deze kritiek opnieuw belangrijke context.
In april 2026 verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Acta Paediatrica een omvangrijke Finse landelijke studie.
De onderzoekers onderzochten alle jongeren onder de 23 jaar die tussen 1996 en 2019 naar de twee landelijke genderklinieken in Finland waren verwezen. Het ging om 2.083 jongeren. Deze groep werd vergeleken met bijna 17.000 jongeren uit de algemene bevolking die nooit bij een genderkliniek waren geweest.
Omdat Finland beschikt over uitgebreide verplichte gezondheidsregisters konden de onderzoekers deze groepen langdurig volgen, tot maximaal 25 jaar.
Daarbij werd gekeken naar het gebruik van specialistische psychiatrische zorg, onder andere vanwege depressie, angst, psychoses en andere ernstige psychische problemen.
De belangrijkste bevindingen waren:
- Al vóór het eerste contact met de genderkliniek hadden jongeren uit de genderkliniekgroep veel vaker ernstige psychische problemen dan jongeren uit de controlegroep: ongeveer 46% tegenover 15%.
- Twee jaar of langer na het eerste contact met de genderkliniek was het percentage binnen de genderkliniekgroep verder gestegen: bijna 62% had specialistische psychiatrische zorg nodig. In de controlegroep bleef dit ongeveer rond de 15%.
- Bij jongeren die daadwerkelijk medische behandeling kregen, zoals hormonen of operaties, nam het gebruik van psychiatrische zorg het sterkst toe.
- Bij jongens die feminiserende behandeling kregen, steeg het percentage van ongeveer 10% naar 61%.
- Bij meisjes die masculiniserende behandeling kregen, steeg het van ongeveer 22% naar 55%.
- Ook wanneer rekening werd gehouden met psychische problemen die al vóór de verwijzing aanwezig waren, hadden jongeren uit de genderkliniekgroep 3 tot 5 keer vaker specialistische psychiatrische zorg nodig dan jongeren uit de algemene bevolking.
De conclusie van de onderzoekers is niet dat medische behandeling bewezen psychische problemen veroorzaakt. Wel laten de gegevens zien dat ernstige psychische problemen zeer vaak voorkomen bij jongeren die naar een genderkliniek worden verwezen en dat deze problemen niet eenvoudig verdwijnen nadat medische genderbehandeling heeft plaatsgevonden.
Dat maakt het op zijn minst relevant om zorgvuldig te kijken naar de bewering dat medische transitie psychische en suïcidale problemen zou verminderen.
Maar dit staat ook tegenover wat Pointer in de uitzending zegt
In de uitzending wordt beweerd dat eerst naar andere onderliggende psychische problemen wordt gekeken en dat deze worden behandeld voordat een gendertraject wordt gestart.
Pointer stelt bijvoorbeeld dat wanneer iemand een eetstoornis of depressie heeft, die problematiek eerst wordt behandeld.
De indruk die daarmee wordt gewekt, is duidelijk: iemand met een dergelijke ernstige psychische problematiek gaat niet ondertussen een medisch transitietraject in.
Maar juist hier is de Finse studie relevant.
De gegevens laten zien dat ernstige psychische problemen, zoals depressie, angststoornissen, autisme-spectrumproblematiek, trauma, eetstoornissen en suïcidaliteit, zeer vaak voorkomen bij jongeren die naar een genderkliniek worden verwezen.
Deze problematiek is in veel gevallen al vóór de medische interventie aanwezig.
Tegelijkertijd verdwijnen deze psychische problemen niet automatisch of eenvoudig nadat medische genderbehandeling heeft plaatsgevonden, zoals puberteitsremmers, cross-sex hormonen en eventueel chirurgie.
Dat betekent dat psychische problematiek in veel gevallen al vóór het transitietraject aanwezig was en tijdens en na medische behandeling kan blijven bestaan.
Daarmee ontstaat een belangrijk verschil tussen wat in de uitzending wordt gesuggereerd en wat uit de onderzoeksgegevens naar voren komt.
Als Pointer zegt:
“Als iemand bijvoorbeeld een eetstoornis of depressie heeft, behandelen we dat eerst en daarna starten we pas met het gendertraject,”
dan betekent dat dat ernstige psychische problematiek eerst voldoende zou moeten zijn opgelost voordat medische transitie plaatsvindt.
De Finse gegevens laten echter zien dat ernstige psychische problematiek bij jongeren die een genderkliniek bezoeken zeer vaak aanwezig is en ook na het starten van medische behandeling veelvuldig voorkomt.
Daarom is het niet voldoende om alleen te zeggen dat er vóór de behandeling naar psychische problemen wordt gekeken. De relevante vraag is ook:
Worden deze problemen daadwerkelijk eerst opgelost voordat medische behandeling wordt gestart, of wordt medische genderbehandeling ook ingezet terwijl dergelijke psychische problematiek nog aanwezig is?
Dat is precies het soort informatie waarvoor concrete cijfers nodig zijn.
Hoeveel jongeren met een bestaande depressie krijgen uiteindelijk puberteitsremmers?
Hoeveel jongeren met een eetstoornis krijgen hormonen?
Hoeveel jongeren met eerdere of actuele suïcidaliteit beginnen aan medische behandeling?
En hoeveel van deze psychische problemen zijn vóór de behandeling verdwenen, en hoeveel bestaan daarna nog?
Zonder die cijfers kun je niet eenvoudig volhouden dat psychische problemen eerst worden behandeld en pas daarna een medisch transitietraject wordt gestart.
Als Pointer die volgorde als algemene praktijk presenteert, terwijl de onderzoeksgegevens laten zien dat ernstige psychische problematiek ook tijdens en na medische behandeling zeer vaak voorkomt, dan is op zijn minst nadere onderbouwing nodig van de stellige bewering uit de uitzending.
4. “Ga niet naar de huisarts” en de zogenaamde genderchecklist
Pointer stelt dat één van de websites ouders adviseert om niet naar de huisarts te gaan wanneer hun kind twijfelt over de genderidentiteit.
De reden die op de website wordt gegeven, is dat de huisarts zou doorverwijzen naar een “gendervriendelijke psycholoog” of genderpoli en dat het traject daarna grotendeels vaststaat.
Pointer zet daar tegenover dat deskundigen dit beeld van een vaststaand traject tegenspreken.
Maar ook hier zou het goed zijn als Pointer niet alleen zegt dát dit beeld onjuist is, maar ook de praktijkcijfers publiceert.
De relevante vragen zijn bijvoorbeeld:
- Hoeveel jongeren melden zich aan?
- Hoeveel krijgen daadwerkelijk de diagnose genderdysforie?
- Hoeveel krijgen puberteitsremmers?
- Hoeveel krijgen vervolgens hormonen?
- Hoeveel gaan uiteindelijk over tot een medische transitie?
- Hoeveel krijgen uitsluitend psychologische begeleiding?
- Hoeveel stoppen tijdens het traject?
Zonder deze cijfers blijft “een verwijzing betekent niet automatisch een medische behandeling” vooral een algemene uitspraak.
Wat laten de Nederlandse cijfers zien?
De grootste historische genderkliniek in Nederland is het Kennis- en Zorgcentrum Genderdysforie van Amsterdam UMC.
Het aantal verwijzingen van jongeren steeg sterk:
- 2011: ongeveer 113 verwijzingen;
- 2015: ongeveer 240;
- 2018: ongeveer 796;
- 2021: ongeveer 1.572;
- 2023: naar schatting rond 1.800.
Dat betekent dat het aantal verwijzingen tussen 2011 en 2021 ongeveer 14 à 15 keer zo groot werd.
Ook de samenstelling van de groep veranderde sterk. Waar vroeger meer jongens werden verwezen, bestaat de groep tegenwoordig voor ongeveer 70% uit jongeren die bij geboorte als meisje zijn geregistreerd.
In de Amsterdamse cohortstudie over 1997–2018 geldt voor jongeren die de diagnostiek daadwerkelijk doorliepen:
- ongeveer 63% startte met puberteitsremmers;
- van degenen die puberteitsremmers kregen, ging ongeveer 93% vervolgens door naar cross-sex hormonen;
- stoppen met puberteitsremmers kwam weinig voor, ongeveer 1,4%.
Bij volwassenen uit oudere Amsterdamse cohorten ging een groot deel van degenen die hormonen kregen later ook over tot operatieve behandelingen. Gonadectomieën werden uiteindelijk uitgevoerd bij ongeveer 75% van de trans vrouwen en 84% van de trans mannen in het betreffende cohort.
Ook borstchirurgie komt veel voor. Bij Amsterdam UMC werden tussen 1990 en 2023 ongeveer 2.030 genderbevestigende mastectomieën uitgevoerd.
Er is geen compleet openbaar landelijk overzicht waarin voor de meest recente jaren iedere stap van aanmelding tot diagnose, puberteitsremmers, hormonen en operatie wordt gevolgd. De beste beschikbare cijfers komen daarom vooral uit cohortonderzoek van Amsterdam UMC.
Maar die cijfers laten wel zien dat een verwijzing naar een gespecialiseerde genderkliniek niet zonder betekenis is.
Een huisarts doet in eerste instantie zijn werk binnen zijn eigen deskundigheidsgebied en verwijst bij complexe genderproblematiek door naar een specialist, bijvoorbeeld een psycholoog of psychiater met ervaring op dit gebied.
De vraag is vervolgens wat die specialist doet.
Hoe werkt de diagnostiek bij psycholoog of psychiater?
De diagnostiek wordt meestal uitgevoerd door een psycholoog of psychiater met ervaring met genderdysforie.
In theorie moet daarbij differentiaaldiagnostiek plaatsvinden: er moet worden gekeken of de klachten mogelijk samenhangen met bijvoorbeeld autisme, trauma, depressie, een eetstoornis of andere psychische problematiek.
Er is echter geen uniform, openbaar protocol waarmee voor iedere specialist exact kan worden vastgesteld hoe uitgebreid, streng of exploratief deze diagnostiek in de praktijk plaatsvindt.
Critici van de huidige genderzorg stellen dat deze diagnostiek door tijdsdruk en hoge caseload soms beperkt kan zijn.
Bevestiging tegenover afwijzing
Een belangrijk cijfer komt uit de Amsterdamse cohortstudie onder jongeren over 1997–2018.
Daarin kreeg gemiddeld 84,6% van de aangemelde kinderen en jongeren die de diagnostiek doorliepen de diagnose genderdysforie.
De percentages verschilden per periode en lagen tussen ongeveer 75% en 97,4%.
Dat betekent dat ruwweg vijf van de zes jongeren die de diagnostiek doorliepen uiteindelijk de diagnose kregen.
Bij jongeren die geen medische behandeling kregen, was in ongeveer 38% van de gevallen het ontbreken van de diagnose de reden. Over de overige gevallen is minder bekend.
Er zijn geen recente, landelijke openbare cijfers die laten zien hoeveel psychologen en psychiaters buiten de gespecialiseerde genderklinieken een diagnose genderdysforie afwijzen of juist een ander traject adviseren.
Dat is juist een reden om voorzichtig te zijn met de algemene uitspraak dat het medische traject volledig losstaat van de voorafgaande verwijzing en diagnostiek.
En welke invloed heeft de nieuwe wet?
Sinds 2026 geldt een wettelijk verbod op conversiehandelingen: pogingen om iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken.
De wet verbiedt stelselmatige of indringende pogingen om iemands genderidentiteit te veranderen en biedt minderjarigen en kwetsbare volwassenen extra bescherming.
Volgens de indieners betekent de wet echter niet dat reguliere professionele diagnostiek of exploratieve gesprekken verboden zijn.
Een behandelaar mag dus nog steeds onderzoeken of genderklachten samenhangen met andere problematiek.
Ook mag terughoudendheid ten aanzien van sociale of medische transitie worden besproken en geadviseerd.
Daarover bestaat echter discussie.
Critici en sommige hulpverleners vrezen dat de wet in de praktijk kan leiden tot handelingsverlegenheid. Een behandelaar kan bijvoorbeeld terughoudender worden met uitspraken als:
“Ik denk dat dit geen primaire genderdysforie is; laten we eerst de andere problemen aanpakken.”
Of:
“Je bent waarschijnlijk niet transgender.”
Officieel blijft professionele diagnostiek mogelijk, maar er bestaat discussie over de vraag of de maatschappelijke en juridische context de drempel om een dergelijke conclusie uit te spreken hoger maakt.
En dan komt Pointer met de ‘genderchecklist’
Hier wordt het interessant.
Pointer presenteert een website waarop een soort genderchecklist wordt gebruikt en waarbij uiteindelijk het advies “neem een hobby” voorkomt.
Zonder de context klinkt dat inderdaad nogal merkwaardig.
Maar waar gaat het advies daadwerkelijk over?
Het gaat niet om de stelling dat iemand met genderdysforie simpelweg een hobby moet nemen en daarmee geneest.
De gedachte achter de checklist en het advies is veel breder: kijk niet uitsluitend naar het lichaam en de vraag of dat lichaam moet worden aangepast, maar onderzoek ook waarom iemand zo ongelukkig is met zichzelf en welke rol onzekerheid, zelfbeeld, perfectionisme, sociale druk en obsessieve aandacht voor het uiterlijk spelen.
Dat is relevant in een tijd waarin cosmetische klinieken steeds normaler zijn geworden, jongeren via sociale media voortdurend worden geconfronteerd met perfecte lichamen en gezichten en plastische chirurgie steeds vaker wordt gebruikt om het uiterlijk aan te passen aan een gewenst beeld.
De moderne reflex kan dan worden:
Wat moet er aan mijn lichaam veranderen?
Terwijl je soms ook de vraag zou kunnen stellen:
Waarom ben ik eigenlijk zo ongelukkig met mezelf?
Lage zelfwaardering, onzekerheid, perfectionisme, sociale druk en voortdurend tobben over het uiterlijk verdwijnen namelijk niet automatisch doordat je iets aan je lichaam verandert.
Een borstoperatie maakt onzekerheid niet per definitie weg.
Een perfect lichaam bestaat niet.
En wie vandaag één probleem aan zichzelf heeft opgelost, kan morgen ontdekken dat er alweer een nieuw probleem op Instagram staat.
En dan komen we dus bij die belachelijk klinkende zin:
“Neem een hobby.”
Tja.
Misschien is dat helemaal niet zo’n slechte gedachte.
Niet omdat een hobby genderdysforie geneest. Dat beweer ik ook helemaal niet. En natuurlijk kun je ernstige psychische problemen niet wegwuiven met: “Ga maar lekker voetballen.”
Maar een mens bestaat uit meer dan zijn lichaam.
Ga sporten. Maak muziek. Ga dansen. Bouw een modeltrein. Leer gitaar spelen. Schilder. Doe vrijwilligerswerk. Ga vissen. Lees een boek. Begin een moestuin.
Of, als alle andere opties mislukken, verzamel postzegels.
Er zijn ergere dingen.
Het idee daarachter is simpel:
ontwikkel ook een identiteit buiten je uiterlijk.
Misschien is dat precies wat we tegenwoordig een beetje zijn vergeten.
We vragen jongeren voortdurend hoe ze eruitzien, hoe ze zich voelen over hun lichaam, welke identiteit daarbij hoort en of hun lichaam wel overeenkomt met het beeld dat ze van zichzelf hebben.
Terwijl je vroeger ook gewoon kon denken:
Ik ben slecht in sport, maar ik kan geweldig tekenen.
Ik ben verlegen, maar ik schrijf fantastische verhalen.
Ik ben niet bijzonder knap, maar ik speel gitaar als een beest.
Ik weet nog helemaal niet wie ik ben, maar ik ben zestien, dus misschien is dat niet zo vreemd.
Dat laatste lijkt me eigenlijk een heel gezonde gedachte.
Dus ja:
“Neem een hobby” is natuurlijk een nogal komisch advies als je het presenteert alsof iemand daarmee even zijn genderprobleem moet oplossen.
Maar als onderdeel van een veel bredere gedachte — haal de obsessieve aandacht van het lichaam af, ontwikkel jezelf, zoek echte contacten en ontdek wie je bent zonder van ieder ongemak een medisch probleem te maken — is het ineens helemaal niet zo’n onnozele gedachte.
Sterker nog:
Misschien zouden we jongeren überhaupt wat vaker mogen zeggen dat ze niet onmiddellijk een definitief antwoord op de vraag “Wie ben ik?” hoeven te hebben.
Je mag ook gewoon vijftien zijn.
En een hobby hebben.
Maar dan nog de belangrijkste vraag
Pointer noemt verschillende websites desinformatie omdat cijfers volgens Pointer niet zouden kloppen of bronnen de beweringen niet zouden ondersteunen.
Daarmee ontstaat echter een simpele vervolgvraag:
Waarop baseert Pointer dan precies haar eigen conclusies?
Als een percentage van 30% volgens Pointer onjuist is: welk percentage is volgens Pointer dan wél verantwoord, en op welke studies?
Als 80% desistance volgens Pointer onjuist of misleidend is: welke studies gebruikt Pointer om dat te onderbouwen?
Als wordt gesteld dat medische behandeling psychische en suïcidale problemen vermindert: welke onderzoeken tonen dat bij de specifieke groep waarover wordt gesproken?
En als Pointer stelt dat een verwijzing naar een genderkliniek niet betekent dat iemand uiteindelijk een medisch traject ingaat: hoeveel jongeren worden daadwerkelijk verwezen, hoeveel krijgen de diagnose, hoeveel krijgen puberteitsremmers, hoeveel krijgen hormonen en hoeveel ondergaan uiteindelijk een operatie?
Dat zijn geen onredelijke vragen.
Juist bij een onderwerp waarbij zulke ingrijpende medische beslissingen worden genomen, zouden zowel voorstanders als critici hun cijfers, definities, onderzoeksmethode en bronnen volledig en controleerbaar moeten presenteren.
En als Pointer anderen verwijt dat zij cijfers uit hun context halen, mag dezelfde eis natuurlijk ook aan Pointer zelf worden gesteld.