Nieuws
Nieuws uit Nederland en de wereld
Opiniestuk · Ouders
Sociale constructie
Margaret Mead maakte aannemelijk dat sekserollen en opvattingen over adolescentie door cultuur worden gevormd. Wie was zij, en hoe kwam zij tot haar conclusie?
Door Chris Tervoort

Margaret Mead was een van de invloedrijkste voorlopers van het latere idee van sociale constructie. Door te laten zien dat gedragsnormen, sekserollen en opvattingen over adolescentie sterk tussen culturen konden verschillen, maakte zij aannemelijk dat wat wij als vanzelfsprekend of ‘natuurlijk’ beschouwen, voor een deel door cultuur en samenleving wordt gevormd.
Wie was zij en hoe kwam zij tot haar conclusie?
Mead als icoon van de Boasiaanse school
Margaret Mead (1901–1978) was een van de meest geciteerde antropologen van de twintigste eeuw. Generaties studenten in antropologie, psychologie en sociologie leerden uit handboeken die haar werk lovend bespraken. Zij was leerling van Franz Boas, de grondlegger van de culturele antropologie in Amerika. Boas bouwde niet alleen een vakgebied op, hij bestreed ook het idee dat intelligentieverschillen tussen individuen of etnische groepen een genetische basis konden hebben. Volgens hem was zelfs onderzoek naar erfelijkheid van zulke verschillen moreel verwerpelijk en taboe. Mead deelde dat engagement. Haar afstudeerscriptie ging over omgevingsinvloeden op het IQ van Italiaanse immigranten, en in 1940 schreef zij samen met Gene Weltfish een pamflet waarin ras werd afgedaan als een sociale constructie, bedacht door een heersende blanke klasse om uitbuiting van donkere mensen te rechtvaardigen.
Meads bevindingen: Samoa als seksueel paradijs
Meads promotieonderzoek ging over opgroeien in een “exotische” cultuur en leverde haar bestseller Coming of Age in Samoa (1928) op. In het voorwoord schreef Boas dat het onderzoek moest aantonen dat veel van wat wij aan de menselijke natuur toeschrijven, eigenlijk een reactie is op de beperkingen die onze cultuur oplegt.
Mead beweerde dat zij op Samoa een samenleving had ontdekt zonder stress, zonder puberteitsproblemen, zonder streberigheid, zonder onderdrukking van andersdenkenden, zonder geweld en zonder oorlog. Kinderen die voorlijk waren, werden afgeremd; hun ambities werden niet aangemoedigd. Het tempo waarin kinderen leerden was aangepast aan dat van de langzaamste individuen. Zo kregen individualisme en rivaliteit geen kans en werd ware gelijkheid bereikt.
Gevoelens van liefde en haat, jaloezie en wraak, verdriet en rouw zouden op Samoa veel vluchtiger zijn dan in het Westen. Platonische liefde bestond er niet: alle relaties tussen mannen en vrouwen waren seksuele relaties. Er was geen sprake van een sterke emotionele binding, diepgaande affectie of romantiek. De mannen gingen vreemd, maar ook de vrouwen konden naar believen minnaars nemen. De westerse romantische liefde, die zich kenmerkt door intens verlangen en bezitterigheid, was onbekend. Dat kwam volgens Mead doordat de Samoanen op seksueel gebied bevrijd waren: ze hoefden niet te verlangen, want ze konden zich naar hartelust uitleven. Ze gunden de ander dezelfde vrijheid, omdat ze geleerd hadden zich te onthechten.
Mead meende dat wij heel wat van de Samoanen konden leren. Dankzij hun superieure cultuur hadden zij geen last van de neurosen die westerlingen zo massaal plagen. Frigiditeit en impotentie kwamen er niet voor. Ook verkrachting bestond niet op Samoa. De geestelijke gezondheid van de Samoanen was er mede aan te danken dat zij niet in kleinburgerlijke gezinnetjes leefden met een benauwende band tussen ouders en kinderen, maar in een uitgebreid huishouden – een soort commune of woongroep met een groot aantal volwassenen en kinderen.
Meads bevindingen: sekserollen in Nieuw-Guinea
In 1931 vertrok Mead samen met de antropoloog Reo Fortune, haar tweede echtgenoot, naar Papoea-Nieuw-Guinea voor haar tweede grote onderzoek. Zij bezochten de Arapesh in de bergen en de Mundugumor aan de Yuat-rivier. In 1933 kwamen zij hun Engelse collega Gregory Bateson tegen, die hen meenam naar de Chambri (ook wel Tchambuli genoemd) die woonden op een eiland in een meer dichtbij de Sepik-rivier. Mead koos Bateson als haar derde echtgenoot en publiceerde in 1935 haar boek Sex and Temperament in Three Primitive Societies.
Mead wilde in dit boek laten zien hoe sekserollen willekeurig van samenleving tot samenleving verschillen. Zij sprak de hoop uit dat zij bij de lezers de “kritische fantasie, die wordt gehandicapt door de Europese culturele traditie” kon bevrijden.
Bij de Chambri ontdekte Mead “dat de vrouwen de werkelijke machtsposities bekleedden. Er is sprake van een omkering van de seksuele attitudes van onze cultuur: de vrouw is de dominante, onpersoonlijke manager en de man is minder verantwoordelijk en sterk emotioneel afhankelijk.” De Chambri-vrouwen visten, weefden klamoes en dreven op assertieve wijze handel met naburige volkeren die sago verbouwden. De mannen maakten zich op, schilderden en dansten. Als de mannen psychische problemen kregen door hun lege bestaan, werden ze door hun echtgenotes van geld voorzien om zichzelf te verwennen met mooie spulletjes.
Mead concludeerde dat de eigenschappen die volgens ons westerlingen typisch mannelijk of typisch vrouwelijk zijn, willekeurig toebedeeld kunnen worden aan een van beide geslachten: “We zijn gedwongen om vast te stellen dat de menselijke natuur ongelooflijk kneedbaar is en zich perfect en op radicaal verschillende wijzen kan aanpassen aan contrasterende culturele condities. (…) De leden van een van beide of beide geslachten kunnen, met meer of minder succes al naar gelang de persoon, zodanig worden opgevoed dat ze in de buurt komen van ieder willekeurig temperament.”
Mead beschreef de Arapesh als vreedzaam en de Mundugumor als oorlogszuchtig. Het verschil kwam doordat de Arapesh hun kinderen teder en de Mundugumor hun kinderen hardvochtig opvoedden. De mannen van de Arapesh waren volgens Mead zachtaardig en naar de normen van de westerse culturele traditie “verwijfd”.
De ontmanteling van Meads Samoa-beeld
Maar kunnen we wel zeggen dat Mead wetenschappelijke studies schreef, in plaats van utopieën over nobele wilden, een verloren paradijs, de maakbare mens en de fundamentele gelijkheid van mensen ongeacht gender of huidskleur? Haar studies waren slechts losjes op de werkelijkheid gebaseerd.
De grondigste debunking van Meads onderzoek in Samoa werd verricht door de Australische antropoloog Derek Freeman. Freemans onderzoek omspande een periode van veertig jaar. In die tijd bracht hij diverse bezoeken aan Samoa; de langdurigste in de jaren veertig en zestig. In totaliteit woonde hij er zes jaar. Mead had negen maanden op Samoa doorgebracht, logerend bij blanken in een comfortabel huis. Freeman woonde temidden van de plaatselijke bevolking. Mead kende de taal niet; Freeman wel. Mead had niet de in haar tijd al beschikbare rapporten, archieven en studies geraadpleegd over het leven op Samoa vanaf het begin van de negentiende eeuw. Zij sprak niet met jongens of volwassenen. Haar belangrijkste informanten waren een paar pubermeisjes, die sindsdien verklaard hebben haar voor de lol allerlei sterke verhalen verteld te hebben. Mead keerde nooit meer terug naar de eilandengroep om haar gegevens te verifiëren, ook al werd zij er al spoedig op gewezen dat haar bevindingen strijdig waren met die van andere onderzoekers.
Freeman stelde vast dat Samoa een zeer autoritaire, hiërarchische en patriarchale maatschappij is. De hoofdmannen verwekken er de overgrote meerderheid van de kinderen. Lijfstraffen zijn normaal onderdeel van de opvoeding en worden daarnaast gebruikt om volwassenen in het gareel te houden. Beleefdheid, gehoorzaamheid en onderdanigheid tegenover hooggeplaatsten worden er van jongs af aan ingeramd.
Samoa kent een hoge criminaliteit, vooral onder adolescenten. Als men rekening houdt met de omvang van de bevolking, is het aantal verkrachtingen er tien keer zo hoog als in Nederland en twee keer zo hoog als in de Verenigde Staten. Al in negentiende-eeuwse beschrijvingen van het leven op Samoa wordt verkrachting een algemeen verschijnsel genoemd. In de tijd dat Mead Samoa door haar roze bril bekeek, was verkrachting er op twee na de frequentste misdaad.
Freeman presenteerde de resultaten van zijn veertigjarig onderzoek in 1983 in zijn boek Margaret Mead and Samoa: The Making and Unmaking of an Anthropological Myth. Het antropologisch establishment was er niet blij mee. De Northeastern Anthropological Association en de American Anthropological Association namen moties aan waarin Freemans onderzoek als “onwetenschappelijk” van de hand werd gewezen. Zijn uitgever, Harvard University Press, en de tijdschriften The New York Times en Science werden veroordeeld wegens de publiciteit die ze Freemans boek hadden gegeven.
De ontmanteling van Meads Nieuw-Guinea-beeld
Ook over de Chambri bleek Meads beeld onjuist. Deborah Gewertz bezocht de Chambri in de jaren zeventig en raadpleegde bronnen over hun cultuur die teruggingen tot 1850. Zij concludeerde dat de Chambri eigenlijk niet veel verschilden van veel traditionele Afrikaanse landbouwculturen. Ook in Afrika verdient de vrouw vaak de kost: zij bewerkt het land, dat eigendom is van haar echtgenoot. Als het land meer opbrengt dan voor het voeden en huisvesten van het gezin nodig is, koopt de man van de winst een extra stukje grond en een nieuwe echtgenote. De handel in vrouwen en land is onderdeel van het politieke spel en politiek is strikt een mannenzaak.
De Chambri-mannen kunnen ook meerdere vrouwen kopen. De echtgenotes en dochters werken voor het gezinshoofd en dragen de opbrengsten van hun arbeid aan hem over. Opstandige vrouwen worden door hun mannen geslagen. Bezit wordt via de mannelijke lijn geërfd, zodat de zonen van een rijke vader zich al vroeg in hun carrière meerdere vrouwen kunnen veroorloven.
Traditioneel domineerden de Chambri het naburige volk van akkerbouwers en Chambri-mannen kochten daar vaak vrouwen. Raszuivere Chambri-vrouwen gedroegen zich tegenover de mannen van het buurvolk assertief, zoals Mead had geconstateerd. Dit is evenmin een teken van vrouwenemancipatie als het dominante gedrag van blanke vrouwen jegens zwarte mannen in Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid.
Van sommige andere stammen hadden de Chambri meer te duchten. Toen Mead de Chambri bezocht, waren ze nog maar net teruggekeerd op hun eiland na een verpletterende nederlaag in een oorlog tegen een naburig vissersvolk. Alle heilige objecten die de Chambri bij hun ceremoniën gebruikten, waren door de vijand verbrand. Het herstel van de totems en de inwijding daarvan door middel van een rituele dans was een mannenzaak. Mannen die hun gezicht mochten beschilderen, gaven daarmee aan dat zij een tegenstander in een gevecht hadden gedood. Het was een kenmerk van machoheldendom, niet de verwijfde make-up waar Mead het voor hield. Zij zag het decoreren van voorwerpen en het dansen als een teken dat de activiteiten van de Chambri-mannen overeenkwamen met die van Victoriaanse huisvrouwen, die de tijd doodden met borduurwerk en pianospel. Bij de Chambri had het artistieke gedoe echter een belangrijke religieuze en politieke functie en vrouwen waren daarvan uitgesloten.
De mannelijke Arapesh, die door Mead als mietjes werden afgeschilderd, waren in de jaren dertig zeer actief als koppensnellers. De mannen vochten, waren eigenaren van de vrouwen en lieten al het huishoudelijk werk en het overgrote deel van de zorg voor de kinderen aan de vrouwen over. Zo was het niet alleen bij de Arapesh geregeld, maar ook bij de Mundugumor en de Chambri.
Waarom het establishment Mead verdedigde
Waarom schaarde het antropologische establishment zich achter een sprookjesvertelster? Omdat Mead bij uitstek een vertegenwoordiger was van de Boasiaanse antropologie. De Boasianen stelden dat er geen universele menselijke natuur bestaat, dat culturen willekeurig van elkaar kunnen verschillen, dat culturele verschillen niet evolutionair verklaard kunnen worden en dat de cultuur de menselijke psyche vormt en niet omgekeerd. Daarmee koppelden ze de antropologie volstrekt los van de biologie en de psychologie. De studies van Mead werden altijd gebruikt om de juistheid van de vooronderstellingen van antropologen te onderschrijven. In zekere zin hing het bestaansrecht van de antropologie als een zelfstandige sociale wetenschap af van de juistheid van de studies van Mead.
De bredere historische context en nasleep
Kunnen we nu zeggen dat de sociale wetenschappen in de negentiende eeuw nog niet strikt van biologie gescheiden waren? Herbert Spencer combineerde psychologie, sociologie en biologie en introduceerde een vroege vorm van sociaal-darwinisme. Hij zag culturen op een ontwikkelingsladder van primitief tot westers. Tegenstanders wezen reductionisme af. Uiteindelijk vestigde Emile Durkheim de sociologie op het principe dat sociale feiten alleen uit andere sociale feiten verklaard mogen worden.
Franz Boas (1858–1942) slaagde erin de biologie decennialang uit de antropologie te bannen. Hij wees het darwinisme af en bestreed eugenetica zo fel dat hij elk onderzoek naar erfelijkheid van menselijke eigenschappen afkeurde. Zijn promovendi veroverden de leiding over de belangrijkste antropologische instituten in de VS. Het wetenschappelijk niveau van de school was volgens de auteur “abominabel”.
Andere Boasianen volgden hetzelfde patroon. Ruth Benedict betoogde dat persoonlijkheid willekeurig door cultuur wordt gevormd. Edward Sapir en Benjamin Lee Whorf ontwikkelden de hypothese dat taal het denken bepaalt. Beide claims werden later weerlegd.
Een aantal Boasiaanse ideeën verloor wetenschappelijke overtuigingskracht of werd sterk bekritiseerd, terwijl sommige van de maatschappelijke conclusies die ermee waren verbonden juist buiten de academie een langdurig leven kregen.